home

Gedichtenverzameling

Inhoudstafel

Titel

Auteur

Parterre

T. van Deel

De oude man

Paul van Ostaijen

Het huwelijk

Willem Elsschot

Avond

Willem Kloos

Gebed

Willem Bilderdijk

De autobezitter

K.Schippers

Jantje zag eens pruimen hangen

Hieronymus van Alphen

Ik ben een god in 't diepst van mijn gedachten

Willem Kloos

Aan Betsy

Piet Paaltjens

Twee dochters

Willem van Toorn

Marc groet 's morgens de dingen

Paul van Ostaijen

Berken

Hlne Swarth

Moore

Lucebert

Sinds Duchamp

Roland Jooris

Zag een schimmel die stond te dampen

Hugo Claus

Duif

M.Vasalis

Een vrouw

Hugo Claus

Een liefde

Lucebert

Oom Karel

J.Bernlef

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang

Wies Moens

Parijs-Roubaix

Hugo Matthysen

Liggen in de zon

Hans Andreus

Belgiese zondag

Paul van Ostaijen

Wijding aan mijn vader

Karel van de Woestijne

Visser van Ma Yuan

Lucebert

Groeten uit Vietnam en omstreken

Ellen Warmond

Cruijff

Herman De Coninck

Mijn moeder is mijn naam vergeten

Neeltje Maria Min

Een zwemmer is een ruiter

Paul Snoek

Zwerversliefde

Adriaan Roland Holst

De waterlelie

Frederik van Eeden

'k Ben Brahman

J.A.Dr Mouw

Antropologisch

Hugo Claus

Opening van het visseizoen

K.Schippers

's Avonds

Guido Gezelle

Herfstlandschap

Paul van Ostaijen

En wat dan?

Jotie T'Hooft

Water

Herman De Coninck

Stadgenoot

Gerrit Kouwenaar

Sonnet (Ik ben een God...)

Willem Kloos

Melopee

Paul van Ostaijen





De oude man


Een oud man in de straat

zijn klein verhaal aan de oude vrouw

het is niets het klinkt als een ijl treurspel

zijn stem is wit

zij gelijkt een mes dat zo lang werd aangewet

tot het staal dun werd

Gelijk een voorwerp buiten hem hangt deze stem

boven de lange zwarte jas

De oude magere man in zijn zwarte jas

gelijkt een zwarte plant

Ziet gij dit snokt de angst door uw mond

het eerste smaken van een narkose

Paul van Ostaijen



Het huwelijk


Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven,
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht.- ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man dien zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke' aanblik bood.

Willem Elsschot



Avond




Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring -- ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zachtgekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied're tint vervliet
In terheid... Rust -- o, wondervreemd genucht!
Want alles is bij dag z innig niet.

Alle geluid dat nog van verre sprak,
Verstierf -- de wind, de wolken, alles gaat
Al zachter en zachter -- lles wordt zo stil...

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al z mo is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.

Willem Kloos



Gebed


Genadige God, die in mijn boezem leest !

Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeken.

Aanschouw mijn nood, mijn nergezonken geest,

En zie mijn oog van stille tranen leken !

Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd.

Gij ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen :

Gij weet alleen hetgeen uw kind behoeft,

En mint het meer, dan 't ooit zich-zelf kan minnen.

Geef, Vader, geef aan uw onwetend kroost,

Hetgeen het zelf niet durft, niet weet te vragen !

Ik buig mij ner ; ik smeek noch kruis, noch troost ;

Gij, doe naar uw ontfermend welbehagen !

Ja, wond of heel ; verhef, of druk mij ner :

'k Aanbid uw wil, hoe duister in mijne ogen :

Ik offer mij op, en zwijg, en wens niet meer :

'k Berust in U, zie daar mijn enigst pogen !

Ik zie op U met kinderlijk ontzag :

Met christen hoop, noch lauw noch ongeduldig.

Ach, leer Gij mij, hetgeen ik bidden mag !

Bid zelf in mij : zo is mijn be onschuldig.

London, 6-11-1796

Willem Bilderdijk



De autobezitter



Er stapt een man in een auto

verricht de nodige handelingen

voor het rijden

en rijdt

daarna

dan ook

inderdaad

weg

K.Schippers



Jantje zag eens pruimen hangen


Een vertelling.

Jantje zag eens pruimen hangen,
o ! als eieren zo groot.
t Scheen dat Jantje wou gaan plukken
schoon zijn vader t hem verbood.

Hier is, zei hij, noch mijn vader,
noch de tuinman die het ziet:
Aan een boom zo vol geladen,
mist men vijf, zes pruimen niet.

Maar ik wil gehoorzaam wezen
en niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een handvol pruimen,
ongehoorzaam wezen? Neen.

Voort ging Jantje: maar zijn vader,
die hem stil beluisterd had,
kwam hem in het lopen tegen
vooraan op het middenpad.

Kom mijn Jantje, zei de vader,
kom mijn kleine hartedief:
Nu zal ik u pruimen plukken;
nu heeft vader Jantje lief.

Daarop ging Papa aan t schudden,
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen
en liep heen op een galop.

Hieronymus van Alphen



Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten


Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten

En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon

Over mij zelf en 't al, naar rijksgebo'n

Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten

Joelt aan mij op en valt terug, gevlo'n

Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

En toch, zo eindloos smacht ik soms om rond

Uw overdierbre len den arm te slaan

En luid uitsnikkende met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan

Op uwe lippen in een wilden vloed

Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

Willem Kloos



Aan Betsy


Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos

In hartverovrend achtelooze houding lag

Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch

Langzaam doordwaalden. 't was een vreeslijk heete dag.

Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog

Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok

Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog

Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.

Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk

Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat

Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,

Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.

O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud

Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand

Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud

Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.

Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,

Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -

En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -

Nooit heb ik zveel tranen op n dag gestort.

Piet Paaltjens



Twee dochters


Slaperig vroeg in de ochtend

zie ik ze de laan

uit fietsen samen, ze gaan

naar het dorp, A en S, mijn dochters.

Als ik tekenen kon

zou je hier nu een prent zien ontstaan waar ze in

bevroren waren: heel dun

(ze zijn al haast aan het eind,

waar de weg naar het dorp begint)

waait hun haar in de wind

onder een mistige zon.

Nu moet je mij maar geloven

op wat woorden. Kijk, er blinkt

een spaak of een bel. Een lint

van langgerekt licht komt het open-

staande raam ingeschoven.

Ze zijn al achter de bomen.

Maar jij ziet hun haar nog stromen

in je hoofd. Hoor, hun fietsen

ruisen ook achter je ogen.

Ze zijn makkelijk het liefste

wat er in al dit groen

bestaat, A en S. Je ziet ze?

Dan mag je dit vers dichtdoen.

In jouw hoofd vastgelegd

raken ze even niet weg.

Willem van Toorn



Marc groet 's morgens de dingen


Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem

ploem ploem

dag stoel naast de tafel

dag brood op de tafel

dag visserke-vis met de pijp

en

dag visserke-vis met de pet

pet en pijp

van het visserke-vis

goeiendag

Daa-ag vis

dag lieve vis

dag klein visselijn mijn

Paul van Ostaijen



Berken


Ijl rijzen blanke berken, als boeketten

Van trillend zilver, op een lucht die blauwt,

Uit blonden grond, vol groepjes eikenhout,

Die tegen 't blauw roodbruine vlekjes zetten.

En over 't klaar kanaal, dat drijvend houdt

Der berken beeldjes in onzichtb're netten,

Deint, zonder de ogen 't vrzien te beletten,

Een bevend-teedre nevel avondgoud.

En even rilt de herfstwind door de bomen

En, als een lentesneeuw van bloemen rein,

Vlindert het zilver op de waterzomen.

En 't heel tafreeltje is z van stemming fijn

En wazig-helder als mijn najaarsdromen,

Vol bladerval en avondzonneschijn.

Hlne Swarth



Moore


Het is de aarde die drijft en rolt door de mensen
Het is de lucht die zucht en blaast door de mensen
De mensen liggen traag als aarde
De mensen staan verheven als lucht
Uit de moederborst groeit de zoon
Ui t het vadervoorhoofd bloeit de dochter
Als rivieren en oeversvochtig en droog in hun huid
Als straten en kanalen staren zij in de ruimte
Hun huis is hun adem
Hun gebaren zijn tuinen
Zij gaan schuil
En zij zijn vrij

Het is de aarde die drijft en rolt
Het is de lucht die zucht en blaast
Door de mensen

Lucebert




sinds duchamp

is alles lyrisch geladen:

metselaars die in

hun handen spugen, een

reproduktie van breughels

boerenbruiloft of

van goghs bloemen, een

stuk sanitair, een

plastic bloem of een

vuilnisbelt;

een reclameblad in

de ochtend lijkt wel

een ready-made

een door stoffig zonlicht

ontwaakte slaapkamer

wordt een environment

en het slordige luchtige

ontbijt in de keuken

een onvergetelijke

happening;

elke dag

zoveel metaforen

men loopt er losweg

in rond als in een

doordeweekse morgenstond

wat rommelig in zichzelf

verloren, terwijl men

even lyrisch nog

een metafysisch plasje

maakt in het schilderij

van een landschap met

koe, hoeve en volrijp

koren.

Roland Jooris




Zag een schimmel die stond te dampen

toen de hemel het water uit zijn manen zoog.

Zag een zwarte wolk likken aan een regenboog,

Zag flamingos, vliegende honden, hongerkampen.

Zag gisteren nog hoe onschuldig

het nat gazon was bespat met sprankels zon,

het was alsof, het leek alsof, het kon

de iris van je ogen zijn, vermenigvuldigd,

en ik vergat ruimte, rede, tekst,

ik sloeg naar een onbestaand insekt

als naar jouw beeld.

Sinds jou is mijn blik behekst,

heb ik nog meer versplintering verwekt

en niet n fragment geheeld.

Hugo Claus



Duif


Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan den oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.

De hemel boven 't park werd licht,
de bomen stonden groen, afzonderlijk
en ieder leek een bos, zo vol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.

Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als dageraad.

M.Vasalis

Parterre


Met oma ja

we bellen je even want

we zitten met een puzzel

opa komt er niet uit

hij dacht jij zal het wel weten

over een schouwburg h Piet

wat was het nou ook weer

iets van acht letters

er zit een a in

Piet lees es even voor

hoe het daar staat

een rang in de schouwburg

parterre zeg je

hoor je dat Piet hij zegt

ja het klopt we boffen

met zo'n kleinzoon

wat jij

nou dan hangen we

maar weer op o zeg

laatst was er een prijsvraag

dan kon je naar Zwitserland

als je een rijmpje maakte

en nou hebben we toch

zoiets moois verzonnen

Zwitserland

Charmant

hoe vind je dat

ja jij kan het niet alleen

nou dag nu hang ik op

als we weer iets niet weten

hoor je het wel.

T. van Deel

Een vrouw


Met schaterend haar,

Met meeuwenogen, met een buidel op de buik,

Een moeder of een goede verrader,

Wie kent deze laaiende vrouw?

Haar nagels naderen mijn hout,

Haar klauwzeer wekt mijn jachtige huid,

Als een jachthoorn hangt zij in mijn haar te tuiten.

Zij nadert in vouwen en in schicht,

In hitte, in hars, in klatering,

Terwijl in staat van begeerte,

Gestrekt als een geweer en onherroepelijk

In staat van aanval en van moord ik

Omvat, doorploeg en vel,

Gebogen, geknield, het geurend dier

Tussen de lederzachte knien.

Zij splijt mijn kegel

In de bekende warmte.

Hugo Claus

Een liefde


op de drempel stond armenkruis je stem
en ik proef in huis je tranen in een vaas staan
ik bleef en passant aan de andere kant van de straat
er groette mij een hand en ik las dat het te laat was

vroeger vonden wij tegen het glas een vliegmachine
maar lachten bij elke barst onze zachte kieuwen

nu glijden wij gescheiden door azi en europa
en je zwijgen is van porselein en mijn hijgen een hamer

Lucebert

Oom Karel


Vanmiddag een familiefilmpje gezien. Oom Karel

niets vermoedend in een bootje bij Loosdrecht.

Drie weken later was hij dood, niet meer vatbaar voor celluloid.

Hoe goed zou het zijn een filmpje van zijn sterven te bezitten

als een operateur zijn laatste adem af te draaien

vertraagd het stollen van zijn blik, het vallen van die hand

langs de ijzeren bedkant nog eens en nog eens te vertonen.

Of op topsnelheid, zodat het doodgaan van Oom Karel

iets vrolijks krijgt, een uitgelaten dans op een krakend bed,

de omhelzing van een onzichtbare vrouw.

die teruggedraaid hem wakker kust; de ogen

worden weer blik, kijken in de lens, de hand wijst.

Oom Karel leeft, Oom Karel is dood.

J.Bernlef

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!


Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!
Tusschen geringen staan en hun oogen richten
naarboven, waar blinken Uw eeuwige sterren.
Ik wil een snoeier zijn in de wijngaard,
een werkman bij de druivepersen.
Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!
Mijn woord in den mond van stamelaars,
mijn hand voor die liggen langs het pad.
En voor het raam van mijn woning
een vlam in den nacht:
dat wie verdolen mocht
richt zijn schreden
naar het Huis van Toevlucht.
Ik zal het waschbekken klaar zetten,
brood en wijn op de tafel -
en het boek geopend
aan de parabel van den Goeden Herder.

Wies Moens

Parijs-Roubaix


Renners storten neer op de kasseien
Of spartelen onmachtig in het slijk
Met stuiptrekkende machteloze dijen
Maar hier en daar fietst nog een levend lijk.
Hagelbuien geselen de kopgroep
Gebitten worden vloekend fijngeknarst
Een knecht roept wenend om een warme kop soep
En rijdt een hoeve aan - zijn schedel barst.
Totaal emotieloos bekijken koeien
(Die met zijn allen grazen langs de kant
Omdat daar reeds wat klaver staat te bloeien)
De sukkelaars die in de wilgen woeien
Of tussen prikkeldraden zijn beland
Alsof die daar al jarenlang zo groeien

Hugo Matthysen

Liggen in de zon


Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo

ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig ik in mijn huid te zingen

lig zacht te zingen antwoord op het licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op mij ligt.

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil

ik weet alleen het licht van wonder boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik weten wil

Hans Andreus

Belgiese zondag


Belgiese zondag

Een gramofoon van 's morgens acht

Iemand vergeet niet zijn soldatetijd

en speelt clairon

het bier is flauw

limonade

UIT ZUIVERE VRUCHTEN

Na de hoogmis wast bewondering

voor de renners de coureurs

21 7 17 48 83

fraaie hoofdgroep door het dorp

Jonge boeren en arbeiders spreken

sportliterair

citaten uit de Sportwereld

Koorknapen gaan onkelwaarts zondagsent

TE DEUM zingend

Vrouwen wachten op

deemstering

kaarten zijn spekvet

Fumez la cigarette Dubec

La Cigarette du Connaisseur

alle dorpelingen zijn kenners

zij roken la cigarette Dubec

Kinderen zijn vuil

huizen ook

Mijn land zondag alpdruk boos

Paul van Ostaijen

Wijding aan mijn vader


Wijding aan mijn vader

o Gij, die kommrend sterven moest, en Vder waart,

en mj liet leven, en me teder lerde leven

met uw zacht spreken, en uw strelend handen-beven,

en, toen ge stierft, wat late zon op uwe baard;

­ ik, die thans ben als een die in de avond vaart,

en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven

door zoele zomer-winden in de lage reven,

en die soms avond-zoete water-bloemen gart,

en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden

wijd-suizend over 't matte water, en de weiden

zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Z vaart mij leve' in vrede en waan van dod begeren

tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,

neigend, naar mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

Karel van de Woestijne

Visser van Ma Yuan


onder wolken vogels varen

onder golven vliegen vissen

maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken

wolken worden hoge golven

maar intussen rust de visser

Lucebert

Groeten uit Vietnam en omstreken


Vanavond zag ik een man

op schoenen

een man zonder schoenen schoppen

zijn magere rug lag als

een voorwerp in het zand

en niemand keek er naar om

een halfnaakte man vertrapt

door een aangeklede

en miljoenen keken ernaar

dronken koffie rookten zwegen

of zeiden het is weer niks

die tv vanavond

Ellen Warmond

Cruijff


een gestrekte bal,

een balk door de lucht,

een eerlijk eikenhouten schot:

zo gaat de waarheid op haar doel af.

of heen en weer

en heen bewegend, de tegenstrever,

de lezer, steeds weer op het verkeerde

been zettend, door een overstapje, een

oversprongetje, elke nieuwe regel

uit leesevenwicht te beginnen,

deze beweeglijkheid, deze fysieke

bewogenheid, god, dit is kunst:

geboren worden en een lichaam hebben

en er dan gedurende een blauwe maandag

johan cruijff mee zijn

in een gedicht, een speelveld

van herman de coninck.

Herman De Coninck

Mijn moeder is mijn naam vergeten


Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?
Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.
Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Neeltje Maria Min

Een zwemmer is een ruiter


Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,

is liefhebben met elke nog bruikbare porie,

is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,

is armen en benen aloude geheimen vertellen

aan het altijd allesbegrijpende water.

Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.

Want in het water adem ik water, in het water

word ik een schepper die zijn schepping omhelst,

en in het water kan men nooit geheel alleen zijn

en toch nog eenzaam blijven..

Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.

Paul Snoek

Zwerversliefde


Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -
want, o de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterrren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind -
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten -
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

Adriaan Roland Holst

De waterlelie


Ik heb de witte water-lelie lief,

daar die zo blank is en zo stil haar kroon

uitplooit in t licht.

Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,

heeft zij het licht gevonden en ontsloot

toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak

en wenst niet meer...

Frederik Van Eeden

'k Ben Brahman


'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.

Ik doe in huis het een'ge, dat ik kan:

'k Gooi mijn vuil water weg en vul de kan;

Maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zj zegt, dat dat geen werk is voor een man.

En 'k voel me hulp'loos en vol zelfverwijt,

Als zij mijn lang verwende onpraktischheid

Verwent met wat ze tooverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt

Tot feerie van wereld, kunst en weten:

Als zij me geeft mijn bordje havermout,

En 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,

Dan voel ik nzelfde adoratie branden

Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

J.A.Dr Mouw

Antropologisch


Dit volk dat naar men beweert

zich tussen twee polen beweegt,

het vette en het vrome,

gelooft minder in het hiernamaals

dan in zijn dagelijkse gort.

Dit volk zal 's zondags de paus

of de negers een aalmoes geven,

of bij wierook het beeld vereren

van de pastoor van Ars die stonk naar de armen,

maar het meest vleit dit volk met geld en gebeden

uit vrees voor magere jaren

zijn makke heersers, de makelaars.

Hugo Claus

Opening van het visseizoen


Eindelijk buiten.
Water is water.
Riet is riet.
Een eend lijkt op een eend.

Maar nu begint mijn vader (62) weer.

Hij noemt waterhoentjes strijkbouten
en vindt dat de maan
ondergaat
als
de zon.

K.Schippers

's Avonds


t Wordt al sterre dat men ziet
in dat hoog en blauw verschiet daar,
blijde sterren, anders niet,
in dat hoog en blauw verschiet.

t Wordt hier altijd al verdriet,
van dat oud en zwart verdriet daar,
t wordt hier altijd anders niet,
als dat oud en zwart verdriet.

Laat mij, laat mij, in t verdriet,
vliegen naar dat hoog verschiet daar,
waar men al die sterren ziet,
al die sterren,... anders niet!

Guido Gezelle

Herfstlandschap


In de mist is trage een os met een ossewagen

stappend naast de mist nooit mist zijn maat

de os van de ossewagen

Uit de mist in de mist met de hortende wagen

dut de wagenvoerder zich niet vast

in een spoorloze slaap

Achter aan de wagen drijft lantaarnlicht

een geringe wig van klaarte in de donkerdiepstraat

Paul van Ostaijen

En wat dan?


Op een dag zal ik weg zijn en

wat dan? Verdwenen zonder een

teken te geven of te nemen en

het puin dat ik achterlaat is

niet langer lachwekkend.

Want wie zoals ik nooit heeft

gebouwen laat niets achter dan

verwachting en verwarring en

wat dan?

Wellicht in uw herinnering zal ik

stollen verstijven, niet lang meer

blijven maar verbleken tot verleden

en wat toen? Te doen?

"Het was waar" zult gij zeggen "hij speelde

met woorden als geen ander maar wat

heeft dat te betekenen." Zo bleek zal

ik zijn.

In u

en wat dan ...?

Jotie T'Hooft

Titel


Auteur

Water


water, soms loopt het rechtdoor
als een ideologie, een vastberaden stoet
van stilte, naar de zee,
de grote internationale
waar alle water zijn overtuiging haalt
(om desnoods dijken te breken.)

soms hangt er nevel over:
dromend water: het droomt dat het zweeft
en dan zweeft het ook. en later, oud geworden,
trekt het zich terug in een vijver
met een rijk innerlijk leven.

water, alle schijn draagt het met zich mee
en blijft altijd zichzelf, altijd anders
en altijd water.

Herman De Coninck

Stadgenoot


Hij is het licht vergeten

en het gras vergeten

en al die kleine levende kevertjes

en de smaak van water en het waaien

hij is de geur vergeten

van het hooi de grijze vacht van de schapen

de varens de omgelegde aardkluiten

zijn binnen is geen nest zijn buiten

geen buiten zijn tuin een vaas

hij is ook

de bliksem vergeten de rauwe

hagel op zijn voorhoofd

hij zegt niet: graan meel brood

hij ziet de vogels niet weggaan

en de sneeuw niet komen

hij zal bang en verongelijkt doodgaan

Gerrit Kouwenaar

Sonnet


Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,

En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon

Over mijzelf en 't al, naar rijksgeboôn

Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten

Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn

Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.­

En tóch, zo eind'loos smacht ik soms om rond

Úw overdierb're leên den arm te slaan,

En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan

Op úwe lippen in een wilden vloed

Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

Willem Kloos

Melopee


Onder de maan schuift de lange rivier

Over de lange rivier schuift moede de maan

Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee.

Langs het hoogriet

langs de laagwei

schuift de kano naar zee

schuift met de schuivende maan de kano naar zee

Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man

Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

Paul van Ostaijen

Titel


Auteur